In een zopas gewezen arrest heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat de "oude" aanvangstermijn voor de beroepsmogelijhkeid in stedenbouwzaken waarop het Decreet Ruimtelijke Ordening (DRO) nog toepassing vond, de grondwettigheidstoets niet doorstaat.
Immers: "In zoverre de niet-naleving van de verplichting voor de aanvrager van een vergunningsbeslissing om de beslissing ‘onmiddellijk’ aan te plakken op de plaats waarop de aanvraag betrekking heeft, tot gevolg heeft dat de belanghebbende derde van de mogelijkheid wordt beroofd om binnen de voorgeschreven termijn van twintig dagen een administratief beroep tegen de vergunningsbeslissing in te stellen, schendt art. 116 par. 3, in samenhang gelezen met art. 113 par. 1 stedenbouwdecreet vóór de wijziging bij het decreet van 27 maart 2009, de art. 10 en 11 Gw."
In dat geval wordt de beroepsmogelijkheid voor de belanghebbende derde, aldus het Grondwettelijk Hof, op onevenredige wijze bemoeilijkt in vergelijking met die waarover de aanvrager van de vergunning, de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar en de adviesverlenende instanties beschikken aan wie van de vergunningsbeslissing kennisgeving werd gedaan, zodat zij zekerheid hebben over de aanvang van de beroepstermijn en aldus tijdig een beroep tegen de vergunningsbeslissing kunnen instellen.
Het huidige artikel 4.7.21 VCRO komt hieraan tegemoet.