woensdag 25 april 2012

Houder van stedenbouwkundige vergunning zonder zakelijk recht op het perceel heeft ook recht op compensatie bij bouwverbod ten gevolge van aanwijzing als beschermd duingebied

In het arrest nr.55/2012 van 19 april 2012 stelt het Grondwettelijk Hof dat ook de houder van een regelmatig uitgereikte stedenbouwkundige vergunning recht heeft op compensatie wanneer "zijn" project wordt getroffen door een bouwverbod (in casu ten gevolge van de definitieve aanwijzing als beschermd duingebied), ook al heeft hij geen zakelijk recht op het perceel in kwestie. 

Daarover anders oordelen zou, aldus het Hof, ongrondwettig zijn en strijden met het gelijkheidsbeginsel.

maandag 19 maart 2012

De Raad van State stelt prejudiciele vraag aan Grondwettelijk Hof inzake geheime stemming over voordrachten en benoemingen

In een belangwekkend arrest nr. 218.453 van 13 maart 2012 (nog niet gepubliceerd op de website van de Raad van State), uitgesproken in algemene vergadering (“Verenigde Kamers”) verwerpt de Raad van State de basiststelling van verzoekende partij als zou er een algemeen rechtsbeginsel bestaan dat bij voordrachten en benoemingen (ook deze van magistraten) een geheime stemming oplegt:

“Er bestaat in het bestuursrecht geen ongeschreven beginsel dat een collegiaal orgaan verplicht om over voordrachten en benoemingen steeds geheim te stemmen.
Of er een geheime stemming moet worden ingevoerd en voor welke gevallen, is een keuze die de bevoegde regelgever moet maken. Vastgesteld wordt overigens dat die keuze in vele gevallen ook daadwerkelijk gemaakt is.”

De Raad van State verwijst expliciet naar artikelen 342, §2 en 348, §2 van het Gerechtelijk Wetboek die
ook betrekking hebben op de voordracht of de verkiezing van magistraten.

Niettemin stelt de Raad van State volgende prejudiciële vraag bij het Grondwettelijk Hof:

“Schenden de artikelen 259 bis-8 en 259 ter van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de overheid, wanneer ze zo worden geïnterpreteerd dat ze de benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie vrijstellen van de verplichting geheim te stemmen over voordrachten en benoemingen van magistraten, terwijl in de gevallen waarin toepassing moe(s)t worden gemaakt van artikel 66, eerste lid, van de gemeentewet, artikel 100 van de nieuwe gemeentewet, artikel 35 van het gemeentedecreet, artikel 33, derde lid, van de OCMW-wet, of van de artikelen 342, §2 en 348, §2 van het Gerechtelijk Wetboek, er wel een verplichting tot geheime stemming over voordrachten en benoemingen bestaat op grond van een uitdrukkelijke wettelijke of decretale bepaling, zodat een onverantwoord onderscheid ontstaat tussen, enerzijds, personen die in het kader van een benoemingsprocedure het voorwerp uitmaken van een voordracht door de benoemings- en aanwijzingscommissie en, anderzijds, personen die in het kader van een benoemingsprocedure bedoeld in de zo-even aangehaalde wetsbepalingen het voorwerp uitmaken van een voordracht of een benoeming door een ander orgaan.”

Referentie: Pub502489

zaterdag 10 maart 2012

Gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur immuun voor rechtsplegingsvergoeding

In een recent arrest nr. 43/2012 van 8 maart 2012 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur (GSI) die een herstelmaatregel vordert voor de burgerlijke rechter en in het ongelijk wordt  gesteld, niet kan veroordeeld worden tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding. Het Hof was van oordeel dat de GSI de herstelmaatregel uitsluitend vordert in naam van het algemeen belang en deze taak in volle onafhankelijkheid moet kunnen uitoefenen, zonder rekening te houden met het financieel risico verbonden aan het proces.

Omgekeerd wordt ook aangenomen dat de GSI geen recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding wanneer hij in het gelijk wordt gesteld door de burgerlijke rechter.   

maandag 27 februari 2012

Grondwettelijk Hof schorst lokaal kiesdecreet niet


Op 8 juli 2011 nam het Vlaams Parlement een nieuw decreet aan betreffende de verkiezingen van de gemeenteraden, de provincieraden en de districtsraden. Het was de eerste keer dat de Vlaamse decreetgever een alomvattende regelgeving hieromtrent aannam sinds deze bevoegdheid door het Lambermont-akkoord werd geregionaliseerd.

In arrest nr. 22/2012 van 16 februari 2012 wees het Grondwettelijk Hof diverse vorderingen tot schorsing tegen dit decreet af. Het Hof oordeelde dat er geen ernstige middelen werden aangevoerd door de verzoekende partijen.

Een van de argumenten die tegen het decreet werden aangevoerd betrof de wijze van de zetelverdeling. Enkel voor de gemeenteraad wordt gebruik gemaakt van het zogenaamde systeem Imperiali, dat grotere partijen meer bevoordeelt dat het systeem D'Hondt, dat wordt gehanteerd voor de disctrictsraden en de provincieraden.

Een ander middel l betrof de indeling in kiesdistricten voor de provincieraadsverkiezingen en de drempel voor apparentering tussen lijsten voor verschillende provinciale kiesdistricten.

vrijdag 10 februari 2012

Als de Raad van State een reglement vernietigt en de gevolgen handhaaft, is het reglement beschermd tegen de exceptie van onwettigheid

Artikel 14ter van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State bepaalt dat de Raad bij de nietigverklaring van een verordening (reglement) kan bepalen dat de gevolgen van de vernietigde bepalingen (al dan niet tijdelijk) gehandhaafd blijven. De onwettigheid van het reglement wordt dus wel vastgesteld, maar de rechtskracht ervan blijft (minstens tijdelijk) bestaan.

Artikel 159 Grondwet bepaalt echter dat de hoven en rechtbanken de reglementen slechts toepassen in zoverre zij wettig zijn. Dit is de exceptie van onwettigheid.

In arrest nr. 18/2012 van 9 februari 2012 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de toepassing van artikel 14ter van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State de toepassing van de exceptie van onwettigheid onmogelijk maakt. Dit maakt volgens het Hof geen schending uit van het gelijkheidsbeginsel en andere grondwettelijke bepalingen.

Het Hof overweegt onder meer:

"Hoewel de incidentele rechterlijke  wettigheidstoetsing van bestuurshandelingen, bepaald in artikel 159 van de Grondwet, oorspronkelijk als absoluut kon worden opgevat, kunnen thans, om de draagwijdte ervan te bepalen, andere grondwetsbepalingen en bepalingen van internationale verdragen niet buiten beschouwing worden gelaten.

Artikel 160 van de Grondwet verankert het bestaan van de Raad van State. Op grond van dat artikel kan de wetgever  diens  bevoegdheden  en werking bepalen. In zoverre de Grondwetgever de objectieve wettigheidstoetsing van de administratieve handelingen aldus beoogde te verankeren, dient de in artikel 159 van de Grondwet bepaalde  rechterlijke wettigheidstoetsing  redelijkerwijze rekening te  houden met de nuttige werking van de vernietigingsarresten van de Raad van State en van de  modaliteiten  waarmee  die gepaard kunnen gaan.

Bovendien moet de in artikel 159 van de Grondwet bepaalde toetsing worden geïnterpreteerd in samenhang met het beginsel van de rechtszekerheid dat inherent is aan de interne rechtsorde, alsook aan de rechtsorde van de Europese Unie en  aan  het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (zie arrest nr. 125/2011, B.5.4). Het Hof houdt immers rekening met dat beginsel wanneer het zijn toetsing uitoefent op basis van de grondwetsbepalingen ten aanzien waarvan het zijn rechtstreekse toetsing uitoefent."

woensdag 1 februari 2012

Oude beroepstermijn (DRO) voor administratief beroep in stedenbouwzaken alsnog ongrondwettig

In een zopas gewezen arrest heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat de "oude" aanvangstermijn voor de beroepsmogelijhkeid in stedenbouwzaken waarop het Decreet Ruimtelijke Ordening (DRO) nog toepassing vond, de grondwettigheidstoets niet doorstaat. 

Immers: "In zoverre de niet-naleving van de verplichting voor de aanvrager van een vergunningsbeslissing om de beslissing ‘onmiddellijk’ aan te plakken op de plaats waarop de aanvraag betrekking heeft, tot gevolg heeft dat de belanghebbende derde van de mogelijkheid wordt beroofd om binnen de voorgeschreven termijn van twintig dagen een administratief beroep tegen de vergunningsbeslissing in te stellen, schendt art. 116 par. 3, in samenhang gelezen met art. 113 par. 1 stedenbouwdecreet vóór de wijziging bij het decreet van 27 maart 2009, de art. 10 en 11 Gw."

In dat geval wordt de beroepsmogelijkheid voor de belanghebbende derde, aldus het Grondwettelijk Hof,  op onevenredige wijze bemoeilijkt in vergelijking met die waarover de aanvrager van de vergunning, de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar en de adviesverlenende instanties beschikken aan wie van de vergunningsbeslissing kennisgeving werd gedaan, zodat zij zekerheid hebben over de aanvang van de beroepstermijn en aldus tijdig een beroep tegen de vergunningsbeslissing kunnen instellen.


Het huidige artikel 4.7.21 VCRO komt hieraan tegemoet.

donderdag 12 januari 2012

Verschillende regels voor schadevergoeding inzake overheidsopdrachten zijn geen schending van het gelijkheidsbeginsel

In een recent arrest bevestigde het Grondwettelijk Hof dat de verschillende regels inzake schadevergoedingen bij overheidsopdrachten geen schending uitmaken van artikel 10 en 11 van de Grondwet. Lees hierover meer op onze blog Overheidscontracten.